Putten: eerst denken, dan doen (en niet meer denken)
Een putt op de oefengreen maken is nogal een verschil met een putt die je héél graag wil maken voor de winst, of een mooie score. Hoe oefen je dat real-life-putten nou écht goed? Hoe haal je het meeste uit je oefensessie op de green? En hoe vertaal je dat naar beter putten in de baan?
Het is de club in je tas die je het meeste gebruikt. De putter. En hoewel die dus eigenlijk de belangrijkste stok in je tas is, is het, geef toe, ook de stok waar je waarschijnlijk het minste mee oefent.
Onterecht dus. Al is het wel de realiteit in een gemiddelde oefensessie. Een swing oefenen en lekker balletjes van de mat meppen geeft nou eenmaal fysiek wat meer voldoening. Ballen slaan vóelt ook alsof je lekker bezig bent. Stilstaan tijdens het putten en af en toe wat heen en weer drentelen op de oefengreen – dat voelt niet echt als Trainen. Terwijl het dus wel het belangrijkste onderdeel is van je spel. (Weet je nog? Driving is for show, putting is for dough.) Daarom zetten we zetten een paar belangrijke, nuttige oefentips voor je op een rij.
1
Eerst denken, dan voor 100% doen (en op dat moment niet meer denken)
Eerst denken, dan doen & niet meer denken heeft te maken met je commitment voor elke slag. In golf héél belangrijk. Misschien heb je wel eens gehoord van de ‘Think box’ en ‘Play box’. Die pas je toe voor elke slag. In het kort: de Think box gaat over de tijdspanne waarin je nadenkt over wat voor slag je wil doen. Bijvoorbeeld: je komt aan bij je bal, je checkt de ligging, de wind, de afstand, waar de vlag staat, waar je ruimte hebt om eventueel te missen of uit te rollen. Op basis daarvan beslis je met welke club en wat voor bal je wil slaan. Dat besluit is belangrijk: dit is wat je gaat doen en je gaat er echt voor. Commitment. Je doet je preshotroutine en stapt uit de Think box. Het is nu tijd voor de ‘play box’. Die duurt feitelijk maar héél kort: je gaat staan, en slaat de bal.
Elke golfer die dit toepast weet: als je jezelf 100% verbindt aan wat je wil doen, dan lukt het vaak. Misschien niet altijd, maar je hebt in elk geval nul twijfel als je gaat slaan. Want zodra je twijfelt, gaat het mis. Maar elke golfer weet dan ook: geen plek in de baan waar juist dit zo lastig is als op de green. Geen plek in de baan waar de kans het grootst is dat je je 100% commitment voor je slag (putt) ineens kwijtraakt. Hoe vaak je ook naar de lijn hebt gekeken, je staat boven je bal en denkt: hee – ik zie nu toch een andere lijn, ik pas m’n putt wat aan.
Maar dat is dus wat je op dat moment NIET moet doen. Natuurlijk zie je wat anders als je gebogen boven je bal staat. Je staat immers in een andere houding, en kijkt met je hoofd geknikt naar de hole. Maar zeg nu eerlijk: waarom zou je het, in deze gebogen houding waarbij je vanaf de zijkant naar je doel kijkt, nu beter zien dan toen je recht achter je bal stond en dus recht naar je doel keek?
Putten moet je, net als bij je andere slagen, benaderen met de methode ‘Think box – Play box’. Je bekijkt de afstand, de lijn, de break. Je besluit waar je op gaat mikken en hoe hard of zacht je wil putten. Je legt je 100% vast op deze beslissing en vertrouwt er ook 100% op. 100% commitment. Dit is ‘m. Vervolgens ga je boven je bal staan, en je putt.
Ga deze mindset nu oefenen op de green! En dan telkens met 1 bal, steeds naar een ander doel. Het liefst met een beetje break in je lijn. Oefen deze routine: eerst denken & analyseren, dan doen. Train jezelf in 100% te vertrouwen op je beslissing, zodat je voortaan zonder twijfel boven je bal staat.
2
Oefen het oplijnen
Denk jij dat je altijd goed staat opgelijnd? Veel golfers hebben een (kleine) afwijking. Dat heeft te maken met dat gezichtsbedrog: als je recht achter je bal staat, zie je de richting meestal anders dan wanneer je in je set-up staat (en dus vanaf de zijkant naar je doel kijkt).
Besteed daarom wat tijd aan puur het oplijnen. Doe dit met oefensticks, of een club op de grond. Of vraag iemand om 10 minuutjes mee te kijken. Doe 10 verschillende putts vanaf verschillende plekken op de green. Lijn op en vraag of je goed staat. Sta je verkeerd opgelijnd, dan vertrekt de bal ook in de verkeerde richting. En dat ga je misschien (onbewust) compenseren met je puttingstroke. Met als ongewenst resultaat: verkeerde richting, verkeerde stroke.

3
Oefen je gevoel voor afstand
Kies een hole, doe je pre-shot-routine en putt. Maar: met je ogen dicht. Houd je ogen dicht. Zodra je denkt dat de bal stil ligt, zeg je waar hij is. Bijvoorbeeld: 50 centimeter te kort, te ver, 20 centimeter links, rechts, enzovoorts. Doe steeds een andere putt. Varieer in afstand en lijn. Zo train je je gevoel voor afstand én je commitment voor je putt.
4
Putt naar een marker
Vaak is het zo dat hoe dichter je bij de hole komt, hoe moeilijker het wordt. Zeker als het putts zijn waarvan je verwacht of vindt dat je die moet maken. En als je eenmaal die verwachting hebt, krijg je vanzelf meer spanning in je lijf. Iets wat je op dat moment juist níet wil. Daarom: dit is een fijne oefening voor de korte(re) putts. Leg een marker op de green en putt 5 ballen vanaf 1 of 1,5 meter. Je doel is om over de marker heen te putten en de bal er vlak achter te laten stilvallen. Met deze oefening train je jezelf om je snelheid constant te krijgen.
